Waarom?

Patiënten en cliënten weten vaak niet bij welke instantie ze precies moeten aankloppen als ze langdurige zorg nodig hebben. Ze worden geregeld van het kastje naar de muur gestuurd. De verschillende zorgwetten, regels en geldpotjes staan te vaak centraal, in plaats van de burger. Dit blijkt uit het rapport Zorgen voor burgers uit mei 2018 van de Nationale Ombudsman: ‘Hoewel de overheid de zorg dichter bij de burger wilde brengen, is door systeemdenken in wet- en de regelgeving juist een versnippering ontstaan, met alle bureaucratische rompslomp van dien.’

Hoe stel je de zorgvraag centraal in plaats van wet- en regelgeving? Hoe (goed) werkt de indicatiestelling in de dagelijkse praktijk? Welke goede voorbeelden en initiatieven zijn er op dit gebied? En hoe kun je de vier wetten die langdurige zorg bekostigen beter op elkaar afstemmen? Tijdens de studiedag op 13 juni krijgen de deelnemers op interactieve wijze veel informatie, goede voorbeelden en een groot aantal tips hiervoor aangereikt.

Vier wetten

De vier genoemde wetten en hun afstemmingsproblemen zijn de volgende:

  1. De Wet Langdurige Zorg (Wlz) is erop gericht lichamelijke- en andere beperkingen op te heffen die levenslang blijven en op alle levensgebieden invloed hebben. Eigen regie en inzet van mantelzorgers komen minder aan de orde. Dat sluit niet aan op de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) en de Jeugdwet. En als mensen langdurige beperkingen hebben en toch willen participeren, op welke wet doen zij dan in eerste instantie een beroep? Dit gebrek aan afstemming veroorzaakt veel ergernis bij adviseurs, intakers, cliënten en professionals.
  2. De Wmo beoogt eigen regie en participatie van cliënten te bevorderen. Wijkverpleegkundigen in de Zorgverzekeringswet doen hetzelfde. Maar zij zitten meestal niet in het sociale wijkteam van de Wmo. Ook hebben zij een eigen team van verzorgenden om zich heen die bij cliënten over de vloer komen. Dat zijn weer anderen dan de huishoudelijke hulpen van de Wmo. De Wlz, de Zorgverzekeringswet en de Wmo: in de praktijk ontbreekt vaak afstemming. Ook bij Beschermd wonen (valt onder de Wmo) van mensen met een ernstige psychiatrische aandoening met psychiatrische hulpverlening (Zorgverzekeringswet!) ontbreekt de afstemming. Wie maakt dat wenselijke zorg/leefplan voor beide zorgvormen?
  3. De Zorgverzekeringswet betaalt wijkverpleegkundigen, eerstelijnsverblijf en geriatrische revalidatie. Dat is meestal zorgverlening met een tijdelijk karakter. Maar wat te doen, als die tijdelijke zorg toch permanent nodig is? En als cliënten langdurig wijkverpleging nodig hebben, doen zij dan een beroep op het Wlz-thuispakket of op een samengesteld pakket van de andere wetten?
  4. De Jeugdwet bekommert zich onder meer om kinderen met verstandelijke en/of lichamelijke beperkingen. Deze wet tracht welzijn, zorg en onderwijs te integreren. Op papier is dat natuurlijk uitstekend. Maar hoe vindt de aansluiting met de geestelijke gezondheidszorg (Zorgverzekeringswet) en het vervoer van huis naar zorginstelling plaats(Wmo)?
Oplossingen

Er zijn een aantal initiatieven in het veld, bij gemeenten, zorgkantoren en filialen van zorgverzekeraars waar wordt gewerkt aan een betere afstemming. Enkele voorbeelden:

  • Professionele afspraken rond brede doelgroepen zoals mensen met dementie, jong volwassenen met lichte verstandelijke beperkingen en mensen met een beroerte. Deze mensen doen vaak een beroep op meer dan één wet. Indicatie-,adviseurs (Wlz), keukentafel-werkers (Wmo) en indicerende wijkverpleegkundigen maken in verschillende regio’s standaardafspraken voor de gehele doelgroep. Die gebruiken zij bij de intake van individuele cliënten en wijken daarvan af, indien nodig.
  • Hergebruik van informatie. Het komt soms voor dat het dossier van een indicatie-adviseur van het CIZ via het internet wordt doorgestuurd naar een Wmo-consulent. Dat bespaart tijd. Dit kan als de cliënt hiervoor toestemming geeft. Of als deze online het eigen dossier kan inzien en doorsturen naar de volgende intaker.
  • Afstemmingsoverleg. Voor langdurige zorg zullen altijd mensen aan het loket verschijnen waarvan onduidelijk is op welke wet zij een beroep kunnen doen. Regelmatig overleg tussen intakers voor die verschillende wetten bevordert de afstemming. Een dergelijk overleg bestaat al sinds jaar en dag binnen transferpunten voor ziekenhuizen. Die regelen de nazorg als patiënten zijn ontslagen. Binnen dat punt overleggen wijkverpleegkundigen (Zorgverzekeringswet), Wmo-consulenten en indicatie-adviseurs (Wlz) welke wet het beste in te zetten is. Wellicht zijn transferpunten ook voor de eerste lijn te ontwerpen.
  • Gemeenschappelijke vraaginventarisatie. Elk van de vier genoemde wetten gebruikt eigen intakelijsten om bijvoorbeeld contactgegevens te noteren, leefsituatie in kaart brengen, de competenties van eigen regie uit te vragen, de belasting van mantelzorgers te meten en zorgbehoeften te inventariseren. De detaillering van het uitvragen wisselt per wet. Toch is het mogelijk om een gemeenschappelijke minimale dataset op te stellen voor cliënten die langdurig zorg behoeven. In het verleden bestond hiervoor een term: een gehandicaptenpaspoort, met daarin die minimale data. Dit paspoort overhandigt een cliënt aan het begin van de intake, de consulent of indicatie-adviseur uploadt die en stelt daarna alleen aanvullende vragen.
Diverse invalshoeken

Er zijn vier plenaire sprekers op de studiedag, die verschillende invalshoeken en oplossingen behandelen. Conny Veldhuizen (Unitmanager Langdurige Zorg bij de NZa) opent het congres. Zij gaat in op de kansen en risico’s van Persoonsvolgende bekostiging. Persoonsvolgende zorg moet de norm worden in de langdurige zorg volgens de NZa. Hoe zorgt Persoonsvolgende bekostiging voor een betere toegankelijkheid van de langdurige zorg?

De tweede spreker is Sam van Bastelaere. Hij is strategisch adviseur Persoons Volgende Financiering voor mensen met een handicap. Van Bastelaere legt uit hoe de Persoons Volgende Financiering in Vlaanderen werkt. Dit is een tussenvorm van levering in natura van langdurige zorg en een persoonsgebonden budget. Welke lessen kan Nederland hieruit trekken?

Daarna spreekt Marcel de Krosse. De Krosse is strategisch adviseur bij het Centrum Indicatiestelling Zorg. Hij gaat in op de vraag: hoe verhoudt de Wet langdurige zorg zich tot de Wmo, Jeugdwet en Zorgverzekeringswet?

De vierde spreker is Jantine Kriens. Zij is Algemeen directeur bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). In haar voordracht behandelt zij de recente ontwikkelingen in de indicatiestelling binnen de WMO.

Thematische studiesessies

Naast plenaire sprekers zijn er in de middag twee rondes met interactieve studiesessies rond vier actuele thema’s:

  • Persoonsvolgende bekostiging in 2020
  • Actualiteiten en recente ontwikkelingen in indicatiestelling voor pgb’s
  • Afstemming van overlappende indicatiestelling binnen de Zvw, de Wmo en de Wlz
  • De techniek van indicatiestelling, gespreksvoering en zorgbehoeftebepaling

Het programma en de sprekers kan je hier bekijken. Alle andere informatie vind je hier.